Er bestaan al heel lang aanwijzingen dat bij mensen met coeliakie het afweersysteem in de dunne darm ontregeld is. Dit afweersysteem zorgt er onder normale omstandigheden voor dat schadelijke stoffen die het lichaam binnendringen onschadelijk worden gemaakt. Denk hierbij aan bepaalde virussen en bacteriën. Gluten wordt door een gezonde darm herkend als een voedingsstof dat onschadelijk is. Gluten wordt zonder probleem opgenomen in het lichaam. Het lichaam van iemand met coeliakie beschouwt gluten als een schadelijke stof. Deze verstoorde reactie heeft tot gevolg dat het darmslijmvlies wordt beschadigd en voedingsstoffen niet of onvoldoende worden opgenomen.
Hoe coeliakie precies ontstaat is nog niet bekend. Het is wel bekend dat er erfelijke factoren bij betrokken zijn. Coeliakie heeft een sterke associatie met de zogenaamde HLAgenen (Human Leucocyte Antigen). Zo’n 90 tot 95% van de coeliakiepatiënten heeft HLA-DQ2. Bij de overigen wordt meestal DQ8 gevonden. Als iemand DQ2 of DQ8 heeft, wil dat overigens nog niet zeggen dat diegene ook daadwerkelijk coeliakie zal krijgen; ongeveer 40% van de Nederlandse bevolking heeft HLA-DQ2. Lang niet iedereen die HLA-DQ2 heeft zal dus coeliakie ontwikkelen. Daarvoor zijn ook omgevingsfactoren nodig. Eén daarvan is het eten van gluten. Iemand die nooit gluten eet, zal ook geen coeliakie kunnen ontwikkelen. Uit onderzoek blijkt dat coeliakie voorkomt bij 3 tot 10% van de eerstegraads familieleden (ouders, broers, zussen, kinderen) van coeliakiepatiënten. Niet iedereen met coeliakie heeft duidelijke klachten, daarom wordt dit soms niet eens opgemerkt. Dit onderstreept het belang van het screenen van naaste familieleden op coeliakie. Dit kan beginnen met een bloedtest bij de huisarts.
Voor uitgebreide informatie raadpleeg de algemene folder van de NCV.
Is jouw kind 0-10 jaar? Klik 