
Het is namelijk bekend dat een familielid van iemand met coeliakie een grotere kans heeft op deze auto-immuunziekte. Bij eerstegraads familieleden (ouders, zussen, broers, kinderen) is de kans ongeveer 10% dat er in de loop van het leven coeliakie kan ontwikkelen. Wanneer meerdere eerstegraads familieleden coeliakie hebben of wanneer beide ouders drager zijn van het HLA-DQ2 gen stijgt deze kans.
Als een tweedegraads familielid (tante, oom, neef, nicht, opa, oma) coeliakie heeft is de kans om coeliakie te ontwikkelen een stuk kleiner, maar nog steeds groter dan wanneer geen van de familieleden coeliakie heeft. Precieze percentages zijn niet bekend.
Over het algemeen kan screening gezondheidswinst opleveren. Heb je zonder dat te weten coeliakie, dan verkleint het beginnen van een glutenvrij dieet de kans op klachten, darmschade en aandoeningen die kunnen volgen uit onbehandelde coeliakie.
Lees meer over het belang van de diagnose
Het zou kunnen dat je wel de genetische aanleg hebt om coeliakie te ontwikkelen, maar op dat moment geen coeliakie hebt. In dat geval kan je gedurende de rest van je leven nog coeliakie ontwikkelen. De mogelijke spanning die dit oplevert kan een nadeel zijn van een screening. Om erachter te komen of een familiescreening de juiste keuze is, kun je dit bespreken met je huisarts, mdl-arts of kinderarts-mdl. Deze kan samen met jou de voor- en nadelen afwegen.
Er kan op twee manieren in het bloed gescreend worden op coeliakie:
- HLA-typering
- Antistofbepaling
Een HLA-typering en een antistofbepaling (bloedonderzoek) brengen kosten met zich mee. Een HLA-typering is doorgaans kostbaarder dan een bloedonderzoek. Let op beide onderzoeken gaan van je eigen risico af.
HLA-typering
Wanneer we praten over genen, gebruiken we vaak de term “drager”. Als je een bepaald gen hebt, ben je drager van dat gen. Ruim 90 procent van de mensen met coeliakie is drager van HLA-DQ2, en vrijwel alle overige mensen met coeliakie drager zijn van HLA-DQ8. De kans dat je coeliakie ontwikkelt als je geen van beide genen hebt, is nagenoeg nul.
Bij een HLA-typering wordt gekeken of je drager ben van één of allebei van de hierboven genoemde HLA-genen. Is deze test negatief en ben je dus geen drager, dan mag je ervan uitgaan dat je géén coeliakie kan ontwikkelen.
Is de uitslag van de HLA-typering positief, dan ben je drager van één of beide genen. Dat betekent niet dat je coeliakie hebt. Om dat vast te stellen is er een antistofbepaling nodig (zie hieronder). Zo’n 35-40% van de Nederlanders is drager van een van beide genen, maar hiervan ontwikkelt ongeveer 1 op de 20 mensen coeliakie.
Antistofbepaling
Bij een positieve HLA-typering en/of een vermoeden van coeliakie, zal je arts in overleg met jou bloedonderzoek aanvragen om een officiële diagnose te stellen.
Meestal wordt de antistofbepaling alleen herhaald bij klachten of twijfel. Soms kan er gekozen worden om de antistofbepaling regelmatig te herhalen, bijvoorbeeld bij (jonge) kinderen.